"Loading..."

Schoolse schrijfsels

Moet er nog Nederlands zijn?

Slurpend van mijn latte zit ik op een terrasje op de Groenplaats in Antwerpen door mijn Facebook-feed te scrollen op m’n smartphone. Even wat quality time voor mezelf, je kan niet altijd socializen met je buddies.

Het zal je misschien verbazen, maar bovenstaande alinea had ik enkele jaren geleden zeker en vast niet kunnen schrijven. Gelukkig kunnen we rekenen op de – welbesproken – fenomenen van het vorige decennium, globalisering en digitalisering, om ons van een rijkere woordenschat te voorzien. Gooi daar nog wat amerikanisering bij, en the fence is completely off the dam. Doe ik het goed?

Ik snap het, hoor. Engels is cool (Ha! Cool!), anders had ik het niet gekozen als opleiding aan de universiteit. Het is een mooie taal en het heeft heel wat leuke uitdrukkingen en hippe woorden die het Nederlands niet heeft. Maar we moeten niet gaan overdrijven.

Woorden ontlenen uit een vreemde taal is allesbehalve een nieuw fenomeen. Taalkundigen onderscheiden doorgaans twee verschillende redenen waarom we nu precies een woord ontlenen: ofwel is dat omdat we een lexicaal hiaat ervaren in onze eigen taal, ofwel omdat we vinden dat de vreemde taal een zogenaamd prestige geniet. Zo’n lexicale leemte betekent dat er een algemeen gebrek in de taal is, en dat ontstaat wanneer er culturele veranderingen optreden. Zulke ontleningen zijn met andere woorden noodzakelijk. Wanneer de computer uitgevonden werd, was het veel makkelijker om die Engelse benaming over te nemen simpelweg omdat er geen geschikt Nederlands alternatief voorhanden was. Zo zijn er tal van ontleende woorden die we in het Nederlands hebben overgenomen die ondertussen zo ingeburgerd geraakt zijn dat we ze niet langer als leenwoorden herkennen. Denk maar aan stress, manager, internet, ...

Zulke ontleningen zijn logisch. Er is gewoon geen alternatief. Maar de situatie wordt helemaal anders wanneer we kijken naar de tweede motivatie voor ontlening, namelijk prestige. Bij dit type ontlening bestaat er wel degelijk een gelijkwaardige uitdrukking in de eigen taal, maar de spreker vindt dit niet geschikt en zal daarom een beroep doen op het leenwoord in kwestie. Onnodige vertalingen dus, en het zijn die die voor heel wat frustratie zorgen.

Waarom plaatsen we het Engels boven onze eigen taal? Het Nederlands heeft toch ook heel wat te bieden? Waarom zeggen jongeren liever dat iets cute is in plaats van schattig, of awkward in plaats van gênant? Ik kan het je garanderen, in de Verenigde Staten lopen jongeren niet random Nederlandse woorden in hun taalgebruik te pompen. Integendeel, bij het uitspreken van het woord schattig klinkt het, volgens hen, alsof ik fluimen ophoest

Het is een heilloze missie, opleggen welke woorden mensen nu wel of niet mogen gebruiken. Ik weet het. Een taal is continu in beweging, daar kan je niets aan veranderen. Zweren bij taalpurisme en alle Engelse leenwoorden afwijzen lijkt me dan ook zinloos. Maar we mogen ons eigen taaltje niet uit het oog verliezen. En ja, dat kan.

Ik dacht vroeger altijd dat het een fabeltje was, dat je nooit je eigen moedertaal kon vergeten. Tot ik zelf nog geen twee maanden op Erasmus in de Verenigde Staten zat en ik al beroep moest doen op mijn mama bij het schrijven van een blogpost. “Hoe zeg je dat nu weer in het Nederlands?”, “Is dit een goede zinsstructuur?”; ze zijn allemaal de revue gepasseerd. Samen met mijn thuiskomst, kwam – weliswaar langzaam aan – mijn Nederlands terug. Sindsdien weet ik mijn moedertaal enorm te appreciëren (een waar you don’t know what you’ve got till it’s gone-gevoel dus). Ik stel voor dat we dat allemaal een beetje meer doen.

Share:
Gesprek laden